Leven in de stadsjungle – geestelijke gezondheid van stadskinderen

on

Ook jonge mensen die in stenige wijken wonen hebben een hoger risico op het ontwikkelen van ziekten zoals depressie of schizofrenie. Maar parken, lanen en paardenbloemen kunnen helpen.

Steeds meer mensen wonen in steden. In 2018 was het al 55 procent van de wereldbevolking – 25 procent meer dan in 1950,  aldus een rapport van de VN.  In 2050 woont naar verwachting meer dan twee derde van alle mensen in een stad. Steden bieden meer gezondheidszorg dan plattelandsregio’s, een diverser cultureel aanbod en kansen op werk en onderwijs. Maar studies tonen ook aan dat het stadsleven stressvol is. Het risico op het ontwikkelen van psychische aandoeningen is wel 40 procent hoger voor stedelingen dan voor mensen die op het platteland wonen, concludeert een analyse van 20 bevolkingsstudies uit 2010.

Wetenschappers van de Technische Universiteit van Dresden bevestigen de gezondheid schadende invloed van stenige wijken. Van de deelnemers uit plaatsen met meer dan 500.000 inwoners leed 13,9 procent aan depressie of bipolaire stoornis. Onder de proefpersonen die afkomstig waren van een plek met minder dan 20.000 inwoners, was het slechts 7,8 procent. Het verschil tussen stad en land is het duidelijkst in het risico van schizofrenie: in de stad komt schizofrenie meer dan twee keer zo vaak voor als op het platteland.

Relatie tussen stenige wijken en geestelijke aandoeningen

De hoogleraar psychiatrie Mazda Adli van het instituut voor geestelijke gezondheidszorg in Mannheim legt uit dat stedelingen blootgesteld worden aan meer stress. Vooral sociale stress speelt een rol bij de ontwikkeling van psychische stoornissen: “Sociale stress ontstaat wanneer sociale dichtheid en sociaal isolement elkaar ontmoeten.” Dus het gevoel van vervreemding van veel mensen dicht op elkaar in een beperkte ruimte, die op zich al stressvol is. Sommige mensen zijn in die situatie nog steeds eenzaam, en dat schaadt hun gezondheid. De geestelijke gezondheid lijdt vooral wanneer men zich overgeleverd voelt aan de twee factoren isolement en drukte en men er niet in slaagt om gebruik te maken van de voordelen die het stadsleven biedt. “Sociale stress is giftig voor als je hem niet kunt compenseren”, zegt Adli. “De hersenen van stedelingen zijn gevoeliger voor sociale stress” Dit is op zich niet slecht, hun neurale systeem is getraind om te gaan met de drukte van de stad. Maar als factoren zoals armoede of discriminatie eraan toe worden gevoegd, waardoor de beleving van een sociaal isolement stijgt, is het risico om ziek te worden groot.

De rol van luchtvervuiling en lawaai

Lawaai en luchtverontreiniging versterken de ontwikkeling van psychische aandoeningen, dit toont een onderzoek van het Robert Koch Instituut met 20.000 deelnemers aan. Mensen die last hebben van lawaai hebben twee keer zoveel kans op een psychische aandoening als mensen die geen last hebben van de herrie.

Ook luchtvervuiling heeft een relatie met psychische storingen, met name bipolariteit. Een big data analyse van 151 miljoen Amerikanen in 2019  toont dit aan. In Denemarken werd de invloed van luchtvervuiling op 1.4 miljoen Deense kinderen van onder de tien jaar onderzocht. Het resultaat: Het aantal bipolaire aandoeningen nam evenredig toe met de luchtvervuiling. Op latere leeftijd werden er meer mensen van deze testgroep behandeld voor persoonlijkheidsstoornissen, schizofrenie en depressies. Vooral fijnstof heeft een negatief effect hebben op onze geestelijke gezondheid en het ontstaan van depressies en angsten.

Volgens de hoogleraar psychiatrie Mazda Adli wordt nu nog onvoldoende rekening gehouden met de geestelijke gezondheid van stedelingen. Daarom heeft hij met deskundigen uit de psychiatrie, stedenbouw, psychologie, neurowetenschappen, architectuur, sociologie, filosofie en etnografie het  Interdisciplinair Forum Neurourbanistics  gevormd. Deze expertgroep wil bijdragen aan de ontwikkeling van leefbare steden. “Het is dringend,” zegt Adli, “omdat steden over de hele wereld groeien. We mogen geen tijd verliezen.”

Groen doet goed

Hoe ontwerp je steden die goed zijn voor de geestelijke gesteldheid van de bewoners? Groene ruimten spelen een belangrijke rol. Of het nu gaat om parken, wild terrein, groene verkeerseilanden of bomen in de straten: “Elk klein stedelijk groen is goed voor de geest”, zegt Mazda Adli. In een big data studie uit 2019 analyseerden onderzoekers gegevens van bijna een miljoen Denen. Het resultaat: hoe groener iemands woonplaats in de eerste tien levensjaren, hoe lager het risico op psychische aandoeningen op latere leeftijd.

Stedelijk groen is goed voor ons. Het gaat sociaal isolement tegen. “Groene ruimtes nodigen uit om naar buiten te gaan, te bewegen en elkaar te ontmoeten”, zegt geograaf Nadja Kabisch, die aan de Humboldt-universiteit in Berlijn onderzoek doet naar de invloed van stedelijk groen op het welzijn.

Straatbomen blijken de cohesie in een buurt te bevorderen, dat laat een onderzoek uit Baltimore zien. Daarnaast verminderen we gevoelens van stress als we in de natuur zijn. 20 minuten per dag in groene omgevingen is genoeg om de hoeveelheid stresshormoon cortisol in het speeksel meetbaar te doen afnemen. De Mazda Adli werkgroep heeft net een studie afgerond met de Federal Environment Agency waarbij met hersenscans de invloed van groene ruimtes en gebieden met veel fijnstof in de buurt op de hersenen is onderzocht “Dergelijke informatie is belangrijk omdat het ons vertelt wat de rol van omgevingsfactoren in de stad is”, legt Adli uit. »We willen weten hoe groene ruimtes bijdragen aan de stressbestendigheid van de hersenen.»

Planten tegen fijnstof

Groene gebieden verminderen schadelijke milieu-invloeden zoals lawaai en luchtvervuiling. Bomen en andere planten fungeren als een natuurlijke barrière voor geluid. Zelfs het vergroenen van gazons tussen tramsporen kan geluid meetbaar absorberen.

Planten binden luchtverontreinigende stoffen zoals fijnstof via hun bladeren. ­ Het interdisciplinaire onderzoek “Nature Capital beveelt aan om bomen in combinatie met kruidachtige vegetatie zoals duizendblad en paardenbloem in drukke straten te planten. Want: het stof dat de bomen aan de bladeren binden, kan door regen de grond bereiken. De kruidachtige planten voorkomen dan dat de deeltjes weer worden opgewaaid. Het gaat niet alleen om het planten van meer groen, maar ook om het gelijkmatig verdelen ervan over de stad te en het toegankelijk maken. Er zijn aanwijzingen dat aaneengesloten of dicht bij elkaar liggende parkgebieden het risico voor bewoners verminderen om aan hart of chronische longziekte of aan een tumor te sterven.

Groenparticipatie

Als we dit allemaal al weten, waarom zou je dan nog bewoners betrekken bij het ontwerp van groene ruimtes?

Verschillende leeftijdsgroepen gebruikten de parken op verschillende  manieren: kinderen geven de voorkeur aan speeltuinen, jongeren aan de sportgebieden. Oudere mensen zaten bijna uitsluitend op banken, zij zeggen dat ze de parken vaker zouden bezoeken als er meer zitplaatsen bij de ingang waren. Daarnaast moeten de banken niet alleen een rugleuning hebben, maar ook een armleuning waarop ze zich kunnen onderhouden bij het opstaan. “Bij het ontwerpen van parken zijn ook kleine aspecten belangrijk, die makkelijker te implementeren zijn dan men denkt”, zeggen de onderzoekers. Zij pleiten voor een grotere betrokkenheid van de bevolking bij de planning van groene ruimten. “Hoe meer je ze allemaal aan boord brengt, hoe beter een park wordt geaccepteerd en hoe eerlijker het ontwerpproces.”